Hoofdtekst
Boer ontdekt tovenaar.'t Was hier nen boer in Petegem die al ongelukken ha, nui ook in de jaren twintig, ze, in zeven of acht en twintig nie eweest 'n hee. En dat ie al die helse ongelukken ha, ewaar, es ie naar de paters gegaan. En de paters zijn daar konen, maar z' hè'n 't ook afgelezen, waar; ze zweettegen hels genadig. En, mijnheer de pater zei tegen den baas, dat ie ten twaleven van de nacht moeste doen dat ie in zijn bogaard stond, achter d' houtmijte, dat ie zijne vijand den bogaard ging zien nere komen. En ie hee dat figuurlijk veur zijn ogen gezien, den boer. 'k Kenne dienen boer goed, ze. Koeien, on ze gingen kalven z' ha'n de kipziekte, dood, peirden de balgpijne, mallekaar doodslaan. Ie hee een peird g'had die een ander peird ne slag gaaft op zijn lijf, è, 't wa op slag dood, e ja, al deugnietrije. En 't was van zijnen naaste gebuurs huis gelegen. E ja, ie kendege ze te wree goed, en ik kendege z' ook. Die mensen hè'n dat dikwijls mij verteld, want 'k hè der een tijdje lange ovre en twere eweest.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
In Petegem woonde een boer die veel ongeluk had. Toen de paters de boerderij van die man kwamen overlezen, zweetten ze verschrikkelijk. Een pater gaf de boer de opdracht om tegen middernacht achter de houtmijt in zijn boomgaard te gaan staan, want daar zou hij zijn vijand zien neerdalen. Toen de boer ’s nachts in zijn boomgaard stond, zag hij zijn buurman daar verschijnen.
Bron
A. Desmyter, Gent, 1955
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (zuiden: bevere en oudenaarde)
131
Omstreeks 1927 of 1928
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bevere   
Plaats van Handelen
Petegem   
