Hoofdtekst
Toen ik ne kleine jongen was, heb ik mijn moeder dat dikwijls horen vertellen. Zij had dat zelf niet meegemaakt, maar ze wist dat van mensen die dat hadden vandoen gehad. Dat was een naaister en in die tijd moest alles met de hand gedaan worden en dan gingen ze op de boerderijen naaien en ’s avonds was dat altijd niet vroeg als ze gedaan hadden en dan hadden ze een klein lantaarnke bij, want toen waren er nog nergens straatlampen. En op een plaats daar kwam ineens iets uit het hout gesprongen en dat was iets gelijk ne weerwolf en dat ging op en af en dat vrommes had een schaar aan haar hangen met een lint en ze stak et de schaar achteruit en ze stak hem in zijne buik en de weerwolf was weg, maar zij was toch flauwgevallen.
Beschrijving
Een naaister die 's avonds laat naar huis ging, zag een weerwolf uit het hout springen. Met haar schaar stak de naaister de weerwolf in de buik. Daarna is de vrouw flauwgevallen van angst.
Bron
A. Princen, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tussen hasselt en beringen)
529
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zolder   
