Hoofdtekst
Dat wijveke, Romanietje Van Coster woonde hier maar het was hier nog al boom en ze had twee kinderen die op sterven lagen, al grote, die naar de fabriek gingen. Dat waren twee meisjes die maar veertien dagen van elkaar gestorven zijn. Ze hadden de tering, denk ik. En ze zat met die kinderen, om hun adem te kunnen halen, buiten. Ze kwam soms tot bij haar zuster, dat was hier al open en er was hier water ook. En ’s anderendaags kwam ze bij ons moeder en ze zei: “O, dat was hier al vuur en het spookte hier. Heel die boomgaard, dat was al vuur.” En mijn moeder ging ’s anderdaags eens gaan kijken, wat dat was, maar ’t was niets. ’t Waren waarschijnlijk pensejagers, maar ik weet het toch ook niet.
Beschrijving
In Nederename woonde een vrouw bij wie twee kinderen op sterven lagen. De moeder ging soms met de meisjes buiten zitten, zodat ze beter konden ademen. De meisjes leden namelijk aan tuberculose. Toen de moeder op een avond buiten had gezeten, beweerde ze dat ze het bos in vuur en vlam had zien staan.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (zuiden)
166I
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nederename   
Plaats van Handelen
Nederename   
