Hoofdtekst
I En zeiden ze ook wat van weerwolven?10 Weerwolf, ja, maar daar geloofden ze ook aan. Dat was dan dikwijls een bol vuur. Wat die ‘gamés’ (= kleine jongens) dan vroeger ook deden … Je kent Sofieke (= Sofie Seghers -Lenaerts, Mgr. Trudojansstraat 10) daaronder?I Op de Waterstraat?10 Nee, naast de winkel van de V.G. Sofieke, zo’n oud wijfke.I Nee.10 Je komt het dorp binnen en dan is er een winkel op de Herenstraat.I Ah ja.10 Die jongen (= Sofie haar broer) (= † Jan Lenaerts -Lenaerts, Mgr. Trudojansstraat 10) dat was zo’n farceur. Je kent een ‘króót’ (= biet), uitgehold, dar zetten ze een kaars in. Ze hadden dat in een boom gehangen, trokken dat op en af. Dan zeiden ze: "Dat is de weerwolf." Maar die (jongen) trok dat dan op en af aan een boom. Maar die (mensen) zagen dat zo [lacht].I En dan zeiden ze: "Dat is de weerwolf?"10 Dat is de weerwolf [lacht].I Maar een echte weerwolf was een hond of …?Dat was niet, maar de ‘läöi’ ‘kalde’ daarover, maar dat werd toch niet (geloofd).
Beschrijving
Een jongen had een uitgeholde biet met een kaars aan een touwtje in een boom gehangen. De mensen geloofden dat het de weerwolf was.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
10C 243
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zichen-Zussen-Bolder   
