Hoofdtekst
E mètske van Loon vrijde met ne jongen van Voort. Op ne oavend dat de jongen wier bai het mètske was zaag hij opeens: 'Wacht hai effekens, binnen een half uurke ben ich terug. As zjei ene hond tegenkomt moet zje gene sjrik hebben en sla mer met deze rooie zakdoek.' Het mètske koem inderdaad ene hond tegen en sloeg met de zakdoek. De hond trok de zakdoek in stukken en loep voert. Toen heure jong noa enige taid terugkoem hoengen do nog fetsen (flarden) van de zakdoek in zijn tanden. Het mètske hoa zich fel versjrikt en hoa de weerwolf herkend.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen uit Voort had een relatie met een meisje uit Loon. Toen de jongen op een dag met zijn vriendin ging wandelen, zei hij plots: "Wacht hier even. Over een half uur ben ik terug. Mocht er een hond op je af komen, gooi dan deze rode zakdoek naar zijn muil". Het meisje deed wat haar was aangeraden. Na een tijdje kwam de jongen terug. Het meisje stelde vast dat haar vriend de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
R. Jageneau, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (borgloon)
500
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Borgloon   
Plaats van Handelen
Loon   
Voort   
