Hoofdtekst
I -En van een vuurbol hebt ge daar al horen van vertellen?47 -Een vuurbol?I -Of gelijk zo, maar van dat dwaallicht, uw vader wat zei hij juist daarvan, waren dat zielen of wat was dat?47 A’ -Van die wormpjes? Wel ja, hij heeft daar feitelijk nooit tegen ons gezegd wat dat dat was hé, hij maakte ons daar wel bang mee, maar hij zei nooit niet wat dat dat was hé, maar dat waren wormpjes zeker, glimworms hé en dat binst de dag laadde hem dat op zeker een energie die hem (die zich) oplaadde en ‘s avonds gaf dat dat licht af.I -Maar hij zij gewoon: “Kom, ze zijn daar weer” en dat was alles?47 -Wel ja, “Ze zijn d’er weer” voor ons schrik te maken hé.II -Ze zitten daar weer. En stalkaarsen maken.46 -Betteraven. Daar waren we ook schou (bang) van! 47 -Ah ja, dat hebben we ook nog gedaan hé.
Beschrijving
Vroeger waren er ’s avonds soms lichtjes te zien, waarvoor de kinderen erg bang waren. Die lichtjes waren glimwormpjes. Soms maakte men ook stalkaarsen door middel van bieten.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
47A'
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   
