Hoofdtekst
En ze vertelden ook van etwaar (ergens) aan ’t Bekeputje in Eernegem. ’t Was daar een huis en ’t kwam daar alle navond een schone zwarte katte haar vleien tegen een oud ventje, en dat ventje wierd ziek en je moste in z’n bedde en alle navend kwam die katte were. En al wat datter in dat huis gebeurde iedereen wiste dat gelijk, zonder dat die mensen daar zelve etwa (iets) van zeien. En ze vonden dat natuurlijk rare. En dat ventje wierd altijd maar zieker en zieker en alle navend draaide die katte rond dat bedde. Bij zoverre dat dat ventje d’r van doodging. En die katte kwam nog altijd. En op een keer pakten ze een poke of etwa en ze sloegen d’r naartoe en die katte liep al huilende en bloende (bloedende) weg. En ’s anderendaags zagen ze dat er daar een arm lag van een vrouwmens met een trouwring aan. En ’t stond daar een name in geschreven. En dat was zij die in een katte daar kwam. Z’hebben die katte nooit meer were gezien. - En dat vrouwmens was haren arm kwijt. ‘k Geloven dat die vent daar nog bij gewerkt had.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
In Eernegem woonde een man die iedere avond werd vergezeld door een zwarte kat. Op zeker ogenblik werd de man ziek. Merkwaardig genoeg wist iedereen altijd wat er in het huis van de man was gebeurd, hoewel niemand het had gezien. Toen de man gestorven was, hing de kat nog altijd rond in het huis. Op een dag had iemand de kat tegen de poot geslagen. De volgende dag zag men op die plaats de arm van een vrouw met een trouwring aan de vinger liggen. Nadat men de gravure in de ring had gelezen, wist men wie de heks was.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
223
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
Plaats van Handelen
Eernegem   
