Hoofdtekst
Up de Keiberg stond er een kasteel. ’t Wos van Markies van de Woestyne, de grave van Beselare. De laatste zeune van de Markies wos nen echten vrouwezot, daarom zeien z’ook de kwâ Markies; olle nachte wos er daar feeste, en ’t wierd daar gezwierd en gezwanseld (gebrast), en de mensen van ’t gebeurte loerden dat ollemale of. Maar oe dadde ne tijd gedeurd hadde, begoste ’t up nen nacht ten twaalven ommettekeer zo te dunderen dat ’t schandalig wos. Al de menschen vluchtten en ’t kasteel verzonk met ol dat er in zat, allene de Markies koste ontvluchten, en up dat moment is de naalde van de kerketoren naar beneen gevallen.
Beschrijving
Op de Keiberg stond een kasteel van de markies die graaf van Beselare was. De jongste zoon van de graaf was een echte rokkenjager. Iedere nacht werd in het kasteel een feest gehouden. Op een nacht begon het om twaalf uur luid te donderen. Het volgende ogenblik verzonk het kasteel in de grond, zodat alle mensen moesten wegvluchten. Enkel de markies kon ontsnappen. Op dat ogenblik is de naald van de kerktoren gevallen.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (ieper)
366
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
Plaats van Handelen
Beselare   
Keiberg   
