Hoofdtekst
Op de Kample op vadersen thuis, neen op den thuis van zijn grootvadre, daar is da gebeurd. In dien tijd, da was zeker nog in 1700, moesten de soldaten te voete marsjeren van ’t een naar ’t andre. En azo komt er nen soldaat op dat hof en hij kwamt achter (om) botre. De boerinne zegt daarop: "Maar ‘k en kanne ‘k ik geen botre kernen." Ze waren van ’t kwaad bezeten hé. En d’er kwamt daar ook altijd een wijveken. Dienen soldaat zegt: "Moeje kernen?" "Eh jaam." "Doet een schorte (voorschoot) peirdestront in de kern en da wijf zal dat er allemale moeten uithalen." Zo ze deden datte en ’t senachts kwam ze zij dat eruit halen maar z’han ze te stekken. En diene soldaat da was enen die meer koste of d’andren. En onze (als ze) z’han moest ze haar dingen afgeven, maar ze wildige niet. En ze dreven ze toe bij da vier (vuur) en ’t vet braadtige uit haar benen toe dasse ’t nie meer kost doorstaan. En tons gaf z’alles af en hee ze ’t gezeid. ’t Zat in de peirdestal onder ne steen onder de voorpoot van een peird. En da was een doosken, waar dander duivelsjongens inzaten. En ze moest het afgeven. En osse van ’t hof ging riep diene soldaat: "Kijk ne keer wat dasse doet." Hij smeet da doosken in ’t vier en ze sloeg ne groten schruwel (schreeuw) uit. Ze moest branden, zolang branden toe dat da doosken opgebrand was. Dat he’k van mijn vadre dikkels horen vertellen.
Beschrijving
Toen een soldaat op een boerderij boter kwam halen, zei de boerin: "Ik kan geen boter karnen". De boerderij was namelijk onder invloed van het kwaad. Er kwam daar altijd een verdacht vrouwtje op bezoek. De soldaat sprak tot de boerin: "Moet je karnen? Doe dan een schort paardenmest in het botervat. Dat vrouwtje zal alles er weer moeten uithalen". De boerin deed wat haar was aangeraden. De volgende nacht moest dat vrouwtje inderdaad de mest uit het botervat halen. Men had haar echter betrapt. De soldaat dreef de vrouw tot bij het vuur. Toen de vrouw de hitte aan haar benen niet meer kon verdragen, gaf ze toe dat in de paardenstal onder een steen onder de voorpoot van één van de paarden een doosje met duivelsjongen begraven lag. Het vrouwtje moest dat doosje afgeven. Toen de vrouw de boerderij verliet, gooide de soldaat het doosje in het vuur. Daarop schreeuwde de vrouw het uit van de pijn. Ze moest immers branden tot dat doosje was opgebrand.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
411
Achttiende eeuw
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Maldegem   
