Hoofdtekst
11 Wel wat ik je daar vertelde van een meisje dat zich verschrokken had en die … Dat was een nichtje. Dat kwam hier naaien in Val of in Hees ergens. Of hier in Val, ik weet niet. En toen waren ze met een wit laken op dat meisje uitgesprongen, maar het was heel zot geworden. (Ze heeft) een heel leven achter de stoof gezeten; ze kwam nooit meer uit.I En dat waren kameraden geweest of wie had dat gedaan?11 Ja, wie is dat geweest? Vroeger deden ze dat voor de ‘läöi’ te ‘bezèèke’ (= bedotten), voor de gek te houden, maar daar kunnen kwade dingen van komen. Ze was ook heel eruit, hoor (= ze was volslagen gek geworden)!I Was ze alleen ’s nachts toen het gebeurde?11 Ah ja, zeker. Ik weet het ook niet meer, het kan goed zijn.12 Ze sliepen allemaal vroeger als het winter was, dat de avond eerder was.Toen waren de ‘läöi’ niet zo lang op als nu, hoor. Om tien, elf uur vond je niemand meer, dan waren ze slapen.11 Och, tien uur, dan waren ze al lang op (= naar bed).I Maar toen stonden ze ook veel vroeger op in feite, stonden ze om vijf uur op.11 Ja, dan waren ze moe gelegen. Maar ja, er was geen licht, hé.
Beschrijving
Een meisje dat in Val of in Hees ging naaien, was gek geworden nadat iemand die zich met een laken als spook had verkleed, haar had doen schrikken.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
11E 251
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bolder   
Plaats van Handelen
Hees   
Val   
