Hoofdtekst
Mijn broer had ene kameraad Kerkhofs in Kesselt. Die is hier eens afgekomen en vertelde tegen Michel: 'Nondedju, do heb ich wat tegengekomen. Ich koem van de tramhalt en toen ich hier aan de café koem zag ich enen hoop katten mamar slappen (slabberen) aan dat water. En do koemen er altied meer.' Mijn broer koem enige jaren daarna ook enen avond dat 't ringelde dan den tram. Do zat een hondje en er woer bang voor dat hij erop trad. Als er (hij) aan den ene kant gong koem dat hondje ook aan die kant en als er aan den andere kant goeng dat ook do weer. 'Maar - zegt er - ich ben toch wel goed, zeker en 't een hondje zat neven 't ander. En er maakte zich kloek en goeng door en er goeng terug en zag niets meer. Dat is echt waar geweest.
Onderwerp
SINSAG 0333 - Spuktier erschreckt Wanderer (und begleitet ihn).   
Beschrijving
Toen K. terugkwam van Kesselt, zag hij bij het café een troep katten die van een plas water dronken. Er verschenen steeds meer en meer katten. Enkele jaren later kwam een vriend van hem op diezelfde plaats een hondje tegen, dat hem de weg versperde.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (bilzen)
131
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Veldwezelt   
Plaats van Handelen
Kesselt   
