Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MREYN0164_0164_19717

Een sage (mondeling), 1965

Hoofdtekst

Waar da ‘k wrochte hadden ze ne zeune, en je ging nu en ton ne keer mee, maar je dorste nooit ollene naar huus gaan en ‘k zegge oezwo: "’k Ben ik nog van niet vervaard, ‘k zou wel meegaan." En we kwamen thuus rond te zessen ’s navens, en de twee dochters lagen in bedde. ‘k Zegge: "Kun je gieder niet upstaan? ’t Is nog zo tielik, en ge ligt daar ol in bedde." "Maar we kunnen nie", zeien ze. En me ziele, g’had dat moeten zien, ze waren zo mager of ne stok, ’t wos maar ’t vel over de been, ’t wos geen spierke vlees aan, ze waren zieder in de macht van een vrouwmens, en ik ging naar de zwarte kapelaan en den dien hèd ne keer gekomen en in drie maanden ze waren radikaal genezen.

Beschrijving

Een man ging een vriend naar huis brengen omdat die niet alleen durfde te gaan. Omstreeks zes uur kwam het tweetal aan bij het huis van de vriend. Ondanks het vroege uur lagen de twee dochters al in bed. "Zouden jullie niet opstaan?" vroeg de man, "het is nog zo vroeg". Daarop antwoordden de dochters dat ze niet konden opstaan omdat ze waren betoverd door een vrouw. De meisjes waren graatmager.
De man liet de zwarte kapelaan naar de meisjes komen. Drie maanden later waren de meisjes volledig genezen.

Bron

M. Reynaert, Leuven, 1965

Commentaar

2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
183
memoraat

Naam Locatie in Tekst

Mesen    Mesen