Hoofdtekst
Rond Ieper ’t was daar een framasson, de bulte Cabron, een rijken here, de menschen schuifden al om geen affairens ’t hebben daarmee. ’t Waren twee verschillende eigenaars, den enen hadde een stuk land langs het ander en ’t stoeg een boom al de kant van den boers land, hij hadde een band rond dien boom gedaan en ingeleid langs d’hage en zegt dien here: “Dat is mijn boom”, zei dien boer, “je meugt hem hebben maar ten is den uwen niet”. Dien boer en wilde niet prosenderen (proces aandoen) ermee. Als dat kwam dat dien here stoeg om dood te gaan, hij moste geen paster hebben. Me gaan dat effen doen met den groten gunter, zei’n. Ze zeggen dat ze zovele geld hebben of dat ze willen, ze hebben nulder ziele verkocht aan de duivel.
Beschrijving
Framassons hadden hun ziel verkocht aan de duivel, waardoor ze zoveel geld hadden als ze maar wilden. Een framasson uit Ieper werd door iedereen gevreesd. Een boer wiens veld gelegen was naast dat van de framasson, ging ieder conflict uit de weg. Op een dag had de framasson een band gebonden rond een boom die op de rand van het veld van de boer stond en hij had gezegd: "Dat is mijn boom". De boer had geantwoord: "Je mag hem hebben, maar het is uw boom niet". Toen de framasson op sterven lag, wilde hij geen pastoor zien.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
3.2 Vrijmetselaars
west-vlaams (franse grens)
519
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Watou   
