Hoofdtekst
De Tempeliers dat waren een soorte van kloosterlingen en ze zaten daar in Slijpe in ’t Tempelhof. ‘k Was ik ton (dan) op de wereld nog niet wè. En van daar liepen d’r gangen in de grond naar de Bamburghhoeve en naar de Duivetorre hier. En dat was voor under (zich) in te duiken (verstoppen), want ze wierden lijk een brokke (beetje) vervolgd. En op één nacht zijn ze ton allemale vertrokken en z’hebben ze nooit meer gezien.
Beschrijving
De Tempeliers waren kloosterlingen die in het Tempelhof in Slijpe verbleven. Onderaardse gangen verbonden het Tempelhof met de Bamburghoeve en met de Duivelstoren. Op een nacht zijn de Tempeliers spoorloos verdwenen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
329
Vóór 1875
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Tempelhof (Slijpe)   
Bamburghoeve (Westende)   
Duivelstoren (Nieuwpoort)   
Bamburg (Westende)   
Tempeliers   
Naam Locatie in Tekst
Nieuwpoort   
Plaats van Handelen
Slijpe   
