Hoofdtekst
De slager ging dikwijls op pad 's avonds om te gaan slachten. Da was nen helen braven mens en heel katholiek. Hij kwam door ne weg en aan twee kanten was een slooike. En de weg was nie breed. Toen lag daar ineens een groot beest en de slager kon er nie neven en het ging ook nie opzij. Toen dacht de slager: wat nauw gedaan? En hij zei het Sint-Jansevangelie. Toen schoof het beest opzij, just genoeg om hem deur te laten en toen hij er neven ging, kreunde het een beetje. De slager was nie bang van aard en het was de zwarte maar. Toen hij 's morgens thuiskwam, zag hij zo grijs als een duif.
Beschrijving
Een slager ging 's avonds vaak op pad om te gaan slachten. Op een avond kwam de slager een groot beest tegen, dat niet opzij ging. De slager begon het Sint-Jansevangelie te bidden, waarna het beest net voldoende opzij schoof om de slager door te laten. Toen de slager er voorbij liep, kreunde het beest een beetje. Bij zijn thuiskomst de volgende ochtend had de slager grijze haren.
Bron
W. Luyts, Leuven, 1956
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
antwerps (land van turnhout)
305
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Sint-Jansevangelie   
Naam Locatie in Tekst
Poppel   
