Hoofdtekst
En do woor eens een meisje van Gellik, maar zijne jongen woor van Wèzet, doe woor ook ene wèrewolf. Toen gongen ze op ene zondag 't woor kermis in Zutendaal en do gongen ze no de kermis. Ze hadden redelijk lang gehouden (gevierd) gehad wei (gelijk) 't is op de kermis en toen woor het twelf uren wei (toen) ze joves (naar huis) gongen en tussen de bossen van Gellik en Zutendaal zei de jong tegen 't meisje: 'Ich moet eens pissen gaan, maar as do enen hond op dech (u) uitvliegt, dan helste (houdt ge) mijne maalplag en smijtste hem maar in zijn muil.' En toen gaat 't meisje nog intige (enige) passen verder en 't sloeg twelf uren en de hond kaom op hem uitgevlogen en 't meisje wierp hem de maalplag (zakdoek) in zijn gezicht en toen gaat 't honderd meter weijer (verder) en toen komt de jong bij hem en er had de vetsen (vezels) van de maalplag nog tussen zijn tanden hangen. En 't meisje is naar het klooster gangen en 't is nooit meer met ene jong gangen.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen uit Waltwilder ging op een zondag met zijn vriendin uit Gellik naar de kermis in Zutendaal. Toen het tweetal omstreeks middernacht naar huis wandelde, sprak de jongen tot het meisje: "Wacht even, want ik moet gaan plassen. Mocht er een hond op je afkomen, gooi dan mijn zakdoek naar zijn muil". Het meisje deed wat haar was aangeraden. Wat verderop werd het meisje weer vergezeld door haar vriend, die de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had. Zodra het meisje besefte wat er aan de hand was, is ze naar het klooster gegaan.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bilzen)
487
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Eigenbilzen   
Plaats van Handelen
Gellik   
Zutendaal   
Waltwilder   
