Hoofdtekst
Jongen vrijt met de dochter van een heks, die het overal doet spoken.'k Hem nog is een grap tegengekommen. D'r was daar een boerken en dien aai drij dochters en ik vrei mee een daarvan. En ikke 's avonds daar naartoe. We waren mee tweeën. En d'r komt een ding nevens me lijf aangerold. Maar ik kan nie zeggen wat da 't was. En wij d'r henne en we kosten 't nie krijgen en da bleef zo ne meter of twee van ons vandaan. En 't draaide drij keren rond de grote schuur en ineens was 't weg. En d'r was geen pijp te zien. 'k Zeg: "Daar kan ik nie aan uit, zenne!" Hij haalt de lantèren: we lichten in de schuur, niks te zien. "Kom", zeg ik, "'t is hier te koud, we gaan naar binnen." En da was daar een groot Hollandse schouw en da vier brandde. En da wijf laag in bed. D'r sting een koperen lamp op tafel branden. En ineens boef: da vier uit en die lamp uit! We kruipen op handen en voeten buiten, want er laag hier ne riek en daar wa. 'k Zeg: "Daar kan ik nie meer aan uit." We zijn tien minuten buiten en da wijf roept: "Komt toch binnen!" En 't vier aai nie uit gewist: da brandde nog schoon. Da wijf was ook een toverheks. Da was de moeder van da maske waar ik mee vrei. Den eigesten avond gaan ik naar huis. En ik gaan om een uur of elf deur da pad. Mijn handen in de zakken en fluitende gaan ik naar huis. Hier en daar sting er zo'n klein boomke. En ik kijk zo ineens en 'k zien een ding aankommen in 't wit. 'k Zeg: "Nel, zijde gij da?" En 'k bleef er even wijd vandaan. 'k Blijf staan. "Zijde gij da, Nel?" zeg ik. 'k Kreeg geen antwoord. "Ge ga me toch nie bang maken, zeker?" Boef, ineens mijn klonen in mijn hand en ik naar huis en 'k aai mijn broek gescheurd. 'k Zeg tegen mijn bruur: "Nauw hem ik een aardige grap meigemaakt." "Willen w'is gaan zien?" zegt ie. We pakken de riek, maar we zagen niks. En 's anderendaags zijn ik spektie gaan houwen, waar ik gelopen aai. Da was dat eigenste wijf.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een jongen had een relatie met een één van de drie dochters van een boer. Wanneer de jongen 's avonds samen met een vriend naar de boerderij van zijn vriendin wandelde, zag hij een vreemd voorwerp naast zich over de grond rollen. De verschijning liet zich niet vangen, draaide driemaal rond de grote schuur en verdween daarna. Toen de jongen naar binnen ging, zat hij bij de Hollandse schouw. Op de tafel stond een koperen lamp waarin vuur brandde. Op zeker ogenblik werd de vlam in de lamp op onverklaarbare wijze gedoofd. De jongen en het meisje kropen op handen en voeten naar buiten. Tien minuten later riep de moeder van het meisje, die al in haar bed lag: "Kom toch binnen!" Toen de twee binnenkwamen, brandde het vuur in de lamp weer alsof het nooit was uitgedoofd. Omstreeks elf uur ging de jongen naar huis. Onderweg zag hij een witte verschijning, die hem angst aanjoeg. Hij nam zijn klompen in zijn hand en rende naar huis zo snel hij kon. Daarbij scheurde hij zijn broek. De moeder van zijn vriendin was een toverheks, die spookverschijnselen veroorzaakte.
Bron
M. Van den Berg, Leuven, 1955
Commentaar
2.1 Heksen
antwerps (polders ten noorden van antwerpen)
232
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zandvliet   
