Hoofdtekst
Mien voader’s voader was wok een ziekte gezet van een leurster. ’s Nachts ten twoolven had ze nooit geen asem ne meer. Die leurster zei oltijd dat ne moste gaan dienen, mo ze zei nooit noa woa. Ne keer was ze doa en ze han een palmtakske boven de deure gestoken. Ze koste ne meer buiten, ze bleef stoan koeten (spreken, praten) en dremmelen (treuzelen, dralen), toet ten langen latsten de joengens de deur opendraaiden en ze weg koste. Ze hèt ton nooit ne meer gekommen.
Beschrijving
Een man was ziek geworden door toedoen van een leurster. Om middernacht kon de man haast niet meer ademen. De leurster beweerde altijd dat ze op bedevaart ging, maar ze zei nooit waarheen. Op een dag had men in het huis een palmtakje boven de deur gestoken. Daardoor kon de leurster niet meer naar buiten. Pas toen de kinderen de deur voor haar opendeden, ging ze weg. Ze is nooit meer teruggekomen.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (tielt en izegem)
307
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Izegem   
