Hoofdtekst
I En van wie zeiden ze dat, "Dat is een heks", in Zussen? Weet ge dat nog, wie die vrouwkes waren?1 Tja, dat waren oude vrouwtjes en wij waren kinderen.I En hoe heetten die vrouwkes toen, (dat) weet ge niet meer? De namen? Weet ge nog op welke straat ze woonden?1 Ja nee, dat was als op de straat een oud vrouwke zat met een mutske op. Ja, ik kende die vrouwkes ook niet, hé.I Zo ja. Dat was een heks dan?1 Dat was een heks. En die betoverden je, zeiden ze. En ze zeiden ook dikwijls, als je nu een kindje had en er kwam een oud vrouwtje op je af, dan moest je weglopen want het (vrouwtje) behekst kinderen. Dat was allemaal zo bijgeloof.
Beschrijving
Als er een oude vrouw op straat zat met een mutsje op haar hoofd, geloofde men vaak dat het een heks was. Men geloofde dat heksen het vooral op kinderen hadden gemunt.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (groot-riemst)
1A' 5
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bolder   
