Hoofdtekst
In het najaar gingen wij ’s avonds dikwijls dorschen bij den ouden Geypen over de beek; mijn vader, mijn moeder, onze Suzanne en ik; in wat lantaarnlicht stonden wij er dan in de schuur er op los te slaan met den vlegel. Daarna gingen wij den avondkost eten: patatten met bruine koffie over gegoten, dat was toen de saus. Dien avond, toen ’t gebeurde, zou Fik en Lowie Geypen meekomen over en weer naar het dorp. Toen wij aan de beek gekomen waren keek moeder eens om: "Uw heel huis staat in brand!" riep ze verschrikt; we keken allemaal om en ja, overal één vuur, wat ge zaagt. Fik en Lowie liepen zoo hard als zij konden naar huis en wij gingen achter hen aan; zij sprongen stal en schuur binnen om te blusschen, maar hoe verwonderd stonden zij toen er nergens niet het minste spoor van vuur of brand te zien viel! De koeien lagen rustig te kauwen. Toen liepen zij langs de "Moos" het woonhuis in, en vielen met de deur in huis: "Hebt gijlie, dat vuur niet gezien?" - "Dat is toch kurieus, zei de oude Geypen, wij hebben niets gezien of gehoord." Toen gingen wij allen nog eens de ronde doen op de boerderij: alles was stil als naar gewoonte. "Ik geloof dat gij gedroomd hebt" zei de oude Geypen en toch hadden wij het met ons zessen goed gezien.
Beschrijving
Een man ging in het najaar samen met zijn zus en zijn ouders dorsen. Op een avond gingen Fik en Lowie G. met hen mee. Toen het gezelschap bij de beek was, riep één van de vrouwen: "Fik en Lowie, jullie huis staat in brand!" Daarop liepen de mannen snel naar huis om het vuur te blussen. Thuisgekomen bleek er echter helemaal geen vuur te zijn geweest.
Bron
D. Truyen, Leuven, 1946
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (noorden)
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Fik G.
Lowie G.
Lowie G.
Naam Locatie in Tekst
Kerkhoven   
