Hoofdtekst
A: Er bestond alleszins wat, anderszins ze moesten maar bestraald zijn, mensen die… Ja maar er zijn er nu nog die wat kunnen hé.X: Wat meer of een ander zeg.A: En ja, dat is altemets ook met een gebed of entwaar wat. Er is t’onzent nog één verbrand al, de pappot die op de stoof stond op zich getrokken, al op een stoel kruipen. E wê, ze gingen ook naar hun gebuur. Die kon verbrandheid aflezen. ’t Had algelijk seffens geen zeer meer né. Hij kon dat aflezen. ’t Was dat hij ook wat…, allez dat was met een gebed. Zie je’t, dat hij dat kon aflezen.X: Dat was een vent die bij jullie nevens woonde?A: Ah ja, dat was een vent né die niet ver van, ja ik heb ’t nooit geweten né, ‘k was er nog niet. Zo, …X: ’t Is ook van horen vertellen.A: E wê ja, dat moeder toen nog verteld heeft né. En ja. Maar mijn vader heeft vele dingen van overtijd, van in zijn tijd verteld. Maar ja, die nu al, en ja, ge hoort daar nu al niets meer van. De mensen mogen nu nog bij nacht lijk op gang zijn, ge hoort daar niets meer van né.X: Nee. Maar ’t is interessant om dat een keer te horen alzo wat dat ze vroeger vertelden.
Beschrijving
Een man uit Beselare had zich verbrand aan de pap die op de kachel stond. Die man liet zich overlezen door zijn buurman, die een gebed had waarmee hij brandwonden kon genezen. Daarna had de man geen pijn meer.
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
west-vlaams (ieper)
9
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
Plaats van Handelen
Beselare   
