Hoofdtekst
De wervers, zo noemden ze die, die zaten in Maaseik in het Molenhuis. Die haalden even goed jongens als meisjes op, en ze vongen de voerlui achter de ploeg. Ik geloof dat Clerx van Neerpelt die ook uitgeroeid heeft. Die hongen af van de bokkerijers, geloof ik. Die Clerx kwam eens bij mijn overgrootvader aan met de nacht, te paard. 'Hier achter moet er ergens een huis liggen', zei hij tegen mijn grootvader, 'en daar moet er ene wonen die Heesje G. heet.' 'Nee', zei mijn overgrootvader , 'hier woont wel een Riesje G.' En die haalde hij eruit. 'Ge zijt nog alleen met hond en paard', zei mijn overgrootvader, 'zijt ge dan niet bang?' 'Als ze de oren van mijn paard zien', zei den drosserd, 'dan schrikt en beeft de heel bende van de Bokkerijders.'
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
De wervers waren mensen die nieuwe leden voor de bokkenrijders moesten ronselen. Ze hielden bijeenkomsten in het Molenhuis in Maaseik. Op een nacht klopte drossaard Clerx uit Neerpelt aan bij een man aan wie hij vroeg of hij niemand kende met de naam Heesje G. Daarop antwoordde de man: "Hier achter woont wel iemand die Riesje G. heet. Maar drossaard, u bent helemaal alleen met uw hond en uw paard. Bent u dan niet bang?" Maar de drossaard antwoordde: "Wanneer de bokkenrijders de oren van mijn paard zien, dan zullen ze allemaal beven van angst."
Bron
R. Celis, Leuven, 1954
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (bree en omstreken)
Overgrootvader van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Riesje G.   
Clerx (drossaard)   
Heesje G.   
drossaard Clerx   
Molenhuis (Maaseik)   
Naam Locatie in Tekst
Neeroeteren   
Plaats van Handelen
Maaseik   
Neerpelt   
