Hoofdtekst
Ik ken nen beenhouder die van Eichem was. En van voren aan ’t kapelleken was een plaats dagge kost droog in staan hé. En op nen avond passeerdegen hij daar en ’t er stond daar een vrouwken hele gans bloot hé, en als diënen beenhouder daar passeerdegen sprong ze op hem. En hij smeet zijn bijl en was er just boven. “Had ik ze g’had, ze was de kop af!” zei hij. En acht dagen daarnaar was hij hele gans grijs, ne jonge mens.
Beschrijving
Een beenhouwer van Eichem kwam voorbij een kapelletje, waar hij een naakte vrouw zag staan. Toen de beenhouwer bij het kapelletje was, werd hij door die vrouw besprongen. De beenhouwer gooide de bijl naar de vrouw, maar miste. “Als ik haar had geraakt, dan was ze haar hoofd kwijt geweest!”, zei de beenhouwer later. Acht dagen later had de beenhouwer grijze haren.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
303
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Appelterre-Eichem   
Plaats van Handelen
Eichem   
