Hoofdtekst
I En als ze vroeger een zwarte kat zagen?17 Een zwarte kat, oh ja! Als ze een zwarte kat zagen, m’n lieve jong!18 Een zwarte…17 Die voorspelden een ongeluk, hé.15 Jaja, dat was onheil.17 Onheil [lacht], een zwarte kat.I En kwam dat uit dan?17 Daar was niks van aan [lacht].15 Ik denk het ook niet. Die kroop onder een stoel of zoiets.17 In die tijd waren de mensen lichtgelovig, wor. Ze geloofden - hoe zal ik zeggen? - in alles geloofden ze.15 De verbeelding ook.18 Oh, ja!I Ik heb eens van iemand gehoord en die vertelde van… Het was ’s nachts en ja, er was dan geen licht en ze waren met twee kameraden en ze kwamen van Vlijtingen naar Zussen. En toen hoorden ze iemand achter hun lopen en ze zagen om, maar ze zagen niemand. En toen erna weer en toen zagen ze een zwarte kat lopen. En toen pakten ze die op en hoe verder dat ze gingen, hoe zwaarder die werd. En toen was dat een heks dan.17 Dat was een spook [lacht].I Of een spook. Vertelden ze dat ook vroeger?17 Oh, ja. D’r werden van alle fantasies verteld en het was allemaal niks.… (= onverstaanbaar).
Beschrijving
Als de mensen vroeger een zwarte kat hadden gezien, dan geloofden ze steevast dat ze ongeluk zouden hebben.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (groot-riemst)
17J 325
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Millen   
