Hoofdtekst
Doa was ook ene komen tuisen (= kaarten) bo ze aan 't tuisen waren in Lauw. En die liet ze maar allemaal altijd winnen. Toen waster t'ran (= was hij verloren). Mè doa was ene man, die liet een kaart vallen en he riep ze op en toen zagter dat het ter duvel was wa met hen zat, die had koewvüjt (= koepoten)! mè die zei niks, en he maakte dat er onder de vüjt (= voeten) uitwas. 'Ich moet weggaan' zeiter ineens!, mè die had bang! D'ander tuisten vots (= voort) en wei 't (= toen het) gedaan was hadden ze gene knap mee (= geen duit meer).
Onderwerp
SINSAG 0904 - Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).   
Beschrijving
In Lauw deed een vreemde man mee aan een kaartspel. De man liet zijn tegenspelers keer op keer winnen. Toen één van de spelers zich bukte om een kaart op te rapen, zag hij tot zijn grote ontsteltenis dat de vreemde man koeienpoten had. De man zei er niets over, maar maakte zich snel uit de voeten. Toen het kaartspel was afgelopen, waren de andere spelers al hun geld kwijt. Ze hadden met de duivel gekaart.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
3.1 Duivels
limburgs (tongeren en omstreken)
1049
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Widooie   
Plaats van Handelen
Lauw   
