Hoofdtekst
Daar was ooch e wicht en dat had slechte boeken, want dat leerde ze allemaal uit slechte boeken die dingen. En die kos ooch van al. Maar ze hadden dat tegen de pastoor gezegd en de pastoor naar dat wicht henne. ' Is dat waar dat gij van al kent?' 'Nee, mijnheer pastoor, ich ken niks.' 'Toe laat mich dat boek ooch eens zien.' enz. Maar ze was 't kwijt en ze kos niks niemeer, want zonder dat boek hadden ze geen macht. En zo heeft 't geestelijk dat stillekes allemaal gedaan gemaakt hé.
Beschrijving
Een meisje dat een toverboekje bezat, kreeg bezoek van een pastoor. Nadat de pastoor het boekje had afgenomen, was het meisje haar toverkunsten kwijt.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
2.3 Toverboeken
limburgs (noord-west)
274
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Hechtel   
