Hoofdtekst
En ze broere Louis Pierra, je go no ze land; ’t was schoon were. Osten doa komt ’t regent. “E nondedju” zegten. Je keer were. Osten in zen üs komt, ’t is over. “E godverdikke”. Je go were no ze land,’t regent were. En azo drie kèèrs. “Ja mo, godver” zegten me e vloek. Je pakt ’t krüsbeeld, ’t stoan toar e krüsbeeld en ’t angde doar èèn. “Allee, godver” zegten “giederschentwèèn moe vechten” zegten. “aa” zegten “me wien oeder je gieder den aap? En die de sterksten is mag binnen blüven” zegten En je sloeg en ’t brak èèn en den deen smèèten büten.“Nê, lop zêlve in de regen nu” zegten. Je zette den anderen doa were.
Beschrijving
Een boer vertrok naar zijn veld omdat het mooi weer was. Toen de man aankwam in Oostende, begon het te regenen. De man keerde terug naar huis. Bij zijn thuiskomst was het opnieuw mooi weer, waarop de man voor de tweede maal naar zijn veld vertrok. Datzelfde gebeurde drie keer achter elkaar. De man vloekte, nam een kruisbeeld in de hand en ging bij een ander kruisbeeld staan, dat tegen de muur hing. De man sprak tot de kruisbeelden: "Vooruit, nu moeten jullie vechten. Wie het sterkst is, mag binnen blijven". Daarop sloeg de man de kruisbeelden tegen elkaar. Het kruisbeeld dat gebroken was, gooide hij buiten met de woorden: "Loop nu maar zelf in de regen!"
Bron
A. Cornelis, Gent, 1958
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (kust)
98
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
Plaats van Handelen
Oostende   
