Hoofdtekst
Dao waas e vroumes en die trouwde daomèt en die wis het neet. Dow hauw er gezag: "Gank maar door" tiènge de vrouw, "Ich moot hiej m’n boks ins aafdoon. Maa hiej is m’ne maalplak", zag er, "es dich dèk get op dich aan kump dan goeiste hem dae maalplak maar vuer". Het waas get aan het hout en dow ging iè zoeget het hout in en dow in eine kier kaam dao einen hond op häör aan. Dow goeide ze hem dae maalplak vuer. En dow ’s nachs laag er te slaope en ziej waas ins opgestangen en vuer zich nörges tiègenaan te luope hauw ze get leegd aangemaak en dow laag er te slaopen en dow zaag ze de roei stökke van de maalplak tösje z’n tan.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een vrouw wist niet dat de man met wie ze pas was getrouwd, een weerwolf was. Toen de man met zijn vrouw aan het wandelen was, zei hij: "Ga jij maar verder, want ik moet even een boodschap doen. Als je een hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek maar". Even later verscheen er inderdaad een hond, die de zakdoek helemaal verscheurde. De volgende nacht stond de vrouw op en stelde vast dat haar echtgenoot de stukjes van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
J. Venken, Leuven, 1968
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (maasvallei)
502
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Elen   
