Hoofdtekst
D’oude mensen, die met een roôn neusdoek in hun zak zaten en die een hoekske van diene zakdoek lieten uithangen, da waren mensen die hun ziele verkocht hadden aan den duivel. Zij hadden een galgejongske, dat is een duvelke, in die zakdoek zitten. Ze mosten dat galgejong iedere dag nen druppel van hun bloed geven totdat hun tijd gekomen was, van dood te gaan; of ze mosten zich kunnen vrijmaken dervan, dat iemand anders van ulder overpakte, die ’t dan moeste voederen. Daarvoor lieten ze die zakdoek met een hoekje uitzitten. Die de zakdoek pakte had ook het galgejongske mee. Ons vader verbood ons als we nog klene waren die neusdoek te pakken, als er zou entwie geweest hebben die ons wilde verleiden om hem te pakken.
Beschrijving
Oude mensen die een rode zakdoek in hun zak hadden en een punt van die zakdoek naar buiten lieten hangen, hadden hun ziel aan de duivel verkocht. In die zakdoek zat een galgenjong, een duiveltje. Iedere dag moesten de mensen dat galgenjong een druppel bloed geven tot hun tijd om te sterven was aangebroken. Sommige mensen slaagden erin iemand anders met het galgenjong op te zadelen. Daarom lieten ze de zakdoek met een punt uit hun zak hangen. Wie naar de zakdoek greep, had ook het galgenjong mee.
Bron
M. Sagaert, Leuven, 1955
Commentaar
3.1 Duivels
west-vlaams (zuiden)
214
Kindertijd van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Marke   
