Hoofdtekst
Ich had ene kameraad (= vriendin) in Bevers(t). Zij kerseerde (= vrijde) met ene jong(en) van Bevers(t), en mijne jong(en) was ook van Bevers(t). As we thuisgingen, zei de jong(en) van dat metske (= meisje): 'Ich kan nie metgaan, mè as zje iet tegenkomt, gooit zje maar ene maalplag in zijn muil!' Mè die jong(en) was ene weerwolef, en as hun uur doa was, dan moesten ze gaan. Mijne nonk had zij(n) vel in een waai (= wilg) gevonne, en he had 't willen verbjanne, mè hij kon het nie verbjanne.
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen en zijn vriendin kwamen samen terug van Beverst. Plots sprak de jongen tot het meisje: "Ik kan niet met je meegaan, maar als je één of ander dier zou tegenkomen, dan gooi je maar een zakdoek naar zijn muil". De jongen was een weerwolf. Een man had zijn dierenvel in een boom gevonden, maar hij was er niet in geslaagd het te verbranden.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1018
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nerem   
Plaats van Handelen
Beverst   
