Hoofdtekst
Aan ons in een klein gemeen huis woonden arme mensen. Dat meiske van daar bobijnde. Ze verkeerde. Onder de baan werd ze aangerand door een duvel. Ze pakt een bobijne en werpt het hem. Hij moest ze endekes per endekes lostrekken. Zo kost ze voortlopen. Als ze thuis komt zag ze aan haar deur hare vrijer staan. In zijn tanden hingen de draads nog van de bobijn. ’t Was hem geweest.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een meisje dat onderweg werd aangevallen door een duivel, gooide een klos garen naar de verschijning. De duivel moest alle draden lostrekken, waardoor het meisje de kans had om weg te lopen. Bij haar thuiskomst zag het meisje haar vriend staan. Hij had de draden van de klos tussen zijn tanden. Hij was de duivel.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
464
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ronse   
