Hoofdtekst
Mijn vader en mijn moeder vertelden, o’k ik e jor of twolve oed wos, dat er dor één binnenkaam up e boerhof, ‘s navonds, in e pater gekleed. Enne kaam hij dor binnen en de boerinne wos bezig met smeer smelten. Wuk e man dat dat wos weet’k ik niet. Wos dat nu een van de bende? En hij ol dor zitten sloeg lik zijn ormes open en zijn mantel sloeg open en ’t sloegen toen lik messen bloot die in die mantel zaten. "Wuk e vint is dat?" zegt de boerinne tegen de boer. "Wuk gon me dormee doen?" "Weet je wuk?" zegt de boer, "schept van je vet uut je pot en giet het in zijn aanzichte." En ze dei dat en z’is toen nor de keuken gevlucht. Hoe datten hij dor toen buten gerocht is, weet’k ik lik niet meer.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Op een boerderij kwam 's avonds een man op bezoek, die als een pater was gekleed. De boerin was op dat ogenblik net bezig met het smelten van vet. De man ging zitten en opende zijn jas. Aan de binnenkant van zijn jas zaten allemaal messen. Omdat de boer en de boerin de man niet vertrouwden, gaf de boer zijn vrouw de raad heet vet in het gezicht van de man te gooien. De boerin deed dat en vluchtte vervolgens naar de keuken.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
133B
Omstreeks 1917
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Merkem   
