Hoofdtekst
En ’t was daar een hof en die vent was betoverd en je lag ip z’n bedde en d’r mocht nooit niemand bij. En z’hèn de pater doen komen en je kwam al lezen van Steenbrugge tot aan Bogaerts. En aan Bogaerts je draaide hem en je kwam achterwaarts naar dat hof en je goeng voorbij en je bleef staan en je goeng were al lezen. En dat hèt ton gedaan geweest.
Beschrijving
Op een boerderij was een man betoverd. De man lag op zijn bed en niemand mocht bij hem in de buurt komen. Men heeft de paters van Steenbrugge laten komen, die onderweg de hele tijd baden. Toen de pater bij de boerderij was, liep hij achterwaarts voort tot voorbij de boerderij. Daarna bleef hij staan en ging biddend terug. Daarna kwam er een einde aan de toverij.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
west-vlaams (o van houtland)
450
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Steenbrugge (paters van)   
paters van Steenbrugge   
Naam Locatie in Tekst
Wingene   
Plaats van Handelen
Steenbrugge   
