Hoofdtekst
’t Was hier ‘nen boer, en hij had pertank goede grond zulle, allé, hij was echt rijke geboerd.Maar op ‘ne keer binst de winter, ’t zaten overal op zijn land luchtjes, alle navond en nachte, en weken aan ’n stuk hé. En ’t wilde niets meer groeien. En hij kreeg hem geen vruchten hé, altijd op alle partijen kleine andjoentjes (ajuinen).En hij heeft naar de paters moeten gaan om te gaan belezen.
Beschrijving
Een boer zag tijdens de winter iedere avond en nacht lichtjes op zijn veld. Hoewel de boer altijd een goede oogst had gehad, groeide er daarna niets meer op zijn veld. De boer heeft zijn veld door de paters moeten laten overlezen.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
30
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Waregem   
