Hoofdtekst
De pastoor was ziek, en hij stuurde de meid noa den doktoor. Die zei: 'breng mich water van hem.' Wei ze terug noa 'm ging, kwam ze ene boer op een kar tegen - wie dat zjus was weet ich niemee - en die zei tegen haar: 'kom maar op.' En de meid ging op de kar zitten. Opeens stiet ze de fles kapot. 'Wa nu gedaan???' Opeens blijf(t) het pjaad (= paard) staan en het pis(t). Toen zei de boer: 'Gauw! gauw! de fles t' ronder!' Ze ging noa den doktoor. Die kigde (= keek) noa 't water en he zei: 'Ach! Meneer pastoor he(ef)t e veulen op!... Dat moet voert, an(d)ers gaat er stereven!' Hij gaf iet met aan de maag(d). De pastoor kreeg den afgang (= buikloop) en he liep in de wei a(ch)ter ene stroek (= struik). Toen sprong doa a(ch)ter opeens enen haas uit de stroek, en de pastoor riep: 'Poeike, poeike! kom!' Hij meenden at er zij(n) veulen kwijt was.
Onderwerp
ATU 1739 - The Clergyman and the Calf.   
AT 1739 - The Parson and the Calf   
Beschrijving
Omdat de pastoor ziek was, stuurde hij zijn meid naar de dokter. De dokter zond de meid terug om een fles met urine te halen. Toen de meid met de fles terug naar de dokter ging, kwam ze een boer tegen, met wie ze mocht meerijden op de kar. Plots sloeg het meisje per ongeluk de fles stuk. Even later bleef het paard stilstaan en begon te plassen. "Snel!", zei de boer, "Vul de fles met het water van het paard!" Het meisje deed wat de boer zei en nam de fles mee naar de dokter. Nadat de dokter de urine had onderzocht, riep hij verschrikt: "De pastoor heeft een veulen opgegeten! Hij moet snel geholpen worden, want anders zal hij sterven!" De dokter gaf de meid een laxeermiddel dat ze aan de pastoor moest geven. Toen de pastoor een boodschap deed achter een struik, sprong er plots een haas weg. De pastoor was er van overtuigd dat hij zijn veulen was kwijtgeraakt.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
7. Sprookjes
limburgs (tongeren en omstreken)
1170
fabulaat
Cfr. AT, Type 1739 "The Parson and the Calf"
Naam Locatie in Tekst
Neerrepen   
