Hoofdtekst
Bet van Bollen vertelde altijd van ne boer en die zijn vrouw die kwam eens in de schuur en ze hoorde kallen onder 't koren en dat waren de alvermennekes die daar onder zaten en die waren maar aan 't vertellen van 'n vrouw die gestorven was en ineens zei er ene 'Ocharm die arme wichter toch.' Dat moesten de alvermennekes geweest zijn die onder 't koren zaten.
Beschrijving
Een vrouw hoorde in de schuur de alvermannetjes praten onder het koren. Ze hadden het over een vrouw die gestorven was.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
1.2 Aardgeesten
limburgs (noord-west)
24
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Eksel   
