Hoofdtekst
‘t Waren alzo twee gasten van ons familie die naar Anzegem gingen. En ’t donderde wreed. En onderwege Anzegem staat er daar ’n kapelle neffens de strate. En ze zeggen: "We zouden wel ’n beetje in dat kapelleke in ’t droge kruipen".En ’t gaf daar zuk’ne slag, ‘ne klak, en ’t was daar lijk iets, lijk ’n vlammeke die daar altijd voort in dat kapelleke bij ulder was. En hij snakt’ernaar, en ze kregen ‘ne slag, en ze lagen al den anderen kant van de strate, in de gracht gesmeten. En ’t was helliedonker. Maar zilder zere weg! En ze hoorden altijd voort lijk iets klagen achter ulder. En ze komen were aan den Hellebos. En ’t komt daar ’n beeste bij hem. En hij, hoe meer dat hij zijnen arm naar omhoge deed, hoe meer dat die beeste met dat haar tegen zijnen elleboge zat, ’n grote beeste, allé, niet weten wat dat dat zuuste was, ’n zwarte beeste. En hoe meer dat hij zijnen arm ophefte, hoe groter dat die beeste kwam, hij voelde altijd dat haar aan zijnen elleboge.
Beschrijving
Twee mannen waren tijdens een onweer op weg naar Anzegem. Onderweg besloot het tweetal te schuilen in een kapelletje dat langs de weg stond. In die kapel was echter een vreemd vlammetje te zien. Toen één van de mannen naar het vlammetje sloeg, vloog het tweetal in de gracht aan de overkant van de weg. Het was plots pikdonker. De mannen hoorden een klagend geluid achter zich en liepen snel weg. Bij het Hellebos kwam er een groot zwart beest bij hen. Eén van de mannen hield zijn elleboog hoog in de lucht, maar hij voelde het haar van het beest nog steeds.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
199
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Hellebos (Tiegem)   
Naam Locatie in Tekst
Tiegem   
Plaats van Handelen
Anzegem   
