Hoofdtekst
49 Ik ken ook zo’n mop, versta je. Ze zaten met problemen en dat kon niet opgelost worden en dan gingen ze hun ziel verkopen en dan waren ze slecht en die ziel konden ze maar niet terugwinnen door iets goeds te doen. Ik ken zo’n mopke, maar dat ga ik je toch niet vertellen [verlegen lachend]. Ik wil maar zeggen… Dat was ook een boer en die had zoveel granen dat hij moest een schuur hebben om dat te bergen. En hij vond nergens niks en toen ging hij dan naar de duivel. En ineens stond de duivel daar en zegt hij zo: "Als je mij een beeske kunt brengen wat ik niet ken, dan zet ik je de schoonste schuur wat bestaat." "Dat is goed." Ja, die boer al zoeken naar een beeske. Verder vertel ik ‘nemé’, maar hij heeft z’n schuur gekregen. Hé, ik wil maar zeggen dat zijn zo verhaalkes: ze zaten in de problemen en daardoor waren ze dan slecht geworden met het goede of het kwade te kiezen.
Beschrijving
Een boer die geen schuur had om al zijn graan in op te bergen, ging te rade bij de duivel. "Als je mij een beest kunt brengen dat ik niet ken, dan zal ik een schuur voor je bouwen", sprak de duivel. De boer heeft zijn schuur gekregen.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
3.1 Duivels
limburgs (groot-riemst)
49QQ 882
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vroenhoven   
