Hoofdtekst
Meetjen Mol de die heeft mijn zuster haar kind betoverd: g’en moogt aan die toveressen niet geven hein, maar mijn moeder had haar ne keer soepe gegeven en ze gaf dat kind ne moel (kus) en dat kind had dat zitten alhoewel dat er zout in de soepe was! En om mijn vader ’t overtuigen dat ze niet en misdeed smeet ze op zijne kop en ze zei: “Smijt hoger, dan en kan ik u niet doen.” En ze gingen naar Affligem, maar de paters zeien dat ze te lang gewacht hadden, “om negen uren zal dat kind sterven”, hadden ze gezeid, en ’t was azo.
Beschrijving
Een moeder had haar kind soep naar een bepaalde vrouw laten brengen, waarop het kind een kus van die vrouw had gekregen. Daarna was het kind betoverd, niettegenstaande het feit dat er zout in de soep was. De vader ging naar de vrouw, maar die wilde haar onschuld aantonen door te zeggen: “Sla hoger dan ik, dan kan ik je niets doen”. Men ging met het kind naar de paters van Affligem, maar die zeiden: “Het kind zal sterven, want jullie hebben al te lang gewacht”. Het kind is ook werkelijk gestorven.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
320
Kind van de zus van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Affligem   
Affligem (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Schendelbeke   
Plaats van Handelen
Affligem   
