Hoofdtekst
Mijn grootvader wier 104 jaar en hij kon een paard overlezen. Een geit of 'n varken overlezen, da's zo moeilijk niet, da kan iedereen, maar een paard of 'n koei, da is wat anders. Ikzelf was dikwijls daarbij en zo heb ik dikwijls gezien hoe da ging. Boer Nuyts kwam eens naar mij en ik vroeg: "'t Peerd nog altijd op stal?" "Ja", zei ie, "vannacht weer datzelfde gedoemeneer gehoord. 'k ben er voor opgestaan. Met men broek in mijn hand heb ik door 't viziergat gekeken. Jemmermarrante! Wa'k daar te zien kreeg! De koeikuipen kropen d'een door d'ander en boven elke kuip stak nen peerdekop uit. Het peerd stond met zijn steert tegen de kribbe; en van zijnen kop niks mer te zien: 't stond daar zonder kop.""Ja" zei ik, "dan gaan z'uw geboer transjakelen en ge geraakt boeraf, als ge niet uit uw ogen ziet. Onthoud mijn woorden, Mus, g'hebt de maar in de stal!"Ja, meneer, de maare regeneert in de stal. 's Nachts komt da ding de dieren berijen. 't Peerd vooral moet het bekopen. Eerst de manen, dan de steert gekamd en dan bovenarms op 't paard gevlogen. De beesten vermageren en gaan er stillekens van ten onder. Ga mijn woorden na. Toen zei ik: "daarveur moet ge bij hen niet zijn. Daar is geen overlezen mee gemoeid. Weete wat ik toen gedaan heb? 'k Heb een heiligdom in de stal gegooid. Nooit heeft het toen daar nog gespookt.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Op een boerderij heerste 's nachts chaos in de stal. De koeien kropen door elkaar en boven iedere kuip stak een paardenkop. Het paard stond met zijn staart tegen de kribbe en had geen kop meer. Een overlezer van honderd en vier jaar oud beweerde dat de boer de maar in de stal had. De maar kwam 's nachts de dieren berijden, waardoor ze vermagerden en wegkwijnden. Nadat de boer een heiligdom in zijn stal had gegooid, had hij geen problemen meer.
Bron
W. Luyts, Leuven, 1956
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
antwerps ('land van turnhout')
304
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Arendonk   
