Hoofdtekst
Den eeuwen gaander die daar zat op een avond in de zomer en rusten enè, in ’t herte van de zomer in de zunne en ’t kam daar een man die vroeg om te meugen slapen en om daar te meuristen. “Nee”, zei’n, hij was daar in zijn zetel en hij mochte niet. En hij herhaalde ’t nog een keer, nog een keer niet. Zegt’n: “Ik zal rusten en gij zal gaan” en hij heeft opgestaan en gegaan en ‘k peizen dat hij nog gaat. ‘k En heb hem nog nooit gezien “djustemen”.
Beschrijving
De eeuwige wandelaar zat op een zomeravond te rusten, toen er een man voorbijkwam, die onderdak vroeg. Toen de eeuwige wandelaar weigerde, sprak de man: "Ik zal rusten en jij zal gaan".
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (franse grens)
559
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
