Hoofdtekst
Variant.Als ik nog een kleine jongen was, hadden we thuis een knecht die alle dagen weg was. Mijn vader begost te peinzen dat hij kledden liep. Dat is dan uitgekomen. Op ne keer werd er gebakken en mijn vader trok een spinds hout uit de mijt en hij trok het vel van de kledden mee. De knecht was juist op de kouter aan het werk. Ze wierpen het vel in de gloeiende oven en op de zelfde moment stond de knecht daar en hij wilde perforse (ondanks alles) in de oven. Ze moesten hem met twee, drie man vasthouden. Als het vel verbrand was, zei hij: “Nu ben ik weer gerust.”
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
Beschrijving
Op een boerderij in Mere werkte een knecht die iedere dag weg was. Toen de boer op een dag brood ging bakken, vond hij het vel van kledde in een houtmijt. Terwijl zijn knecht op het veld aan het werk was, gooide de boer het vel in de gloeiende oven. Het volgende ogenblik stond de knecht al bij het vuur om zijn vel te redden. Met twee of drie mannen moest men de knecht tegenhouden tot het vel was opgebrand en de knecht opgelucht zei: “Nu ben ik weer gerust”.
Bron
P. Henderickx, Leuven, 1959
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (tussen schelde en dender)
69
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Mere   
Plaats van Handelen
Mere   
