Hoofdtekst
Peetjen Vogelei ging hooi wachten en zijnene hond lag bij hem. Om twaalf uren begint diënen hond te snuiven en hij begint op te lopen, en mee den anderen was dat daar muziek en dansen, en peetjen en dorst niet boegeren. En als ’t gedaan was liep hij naar huis en hij willigen geen hooi nimmer gaan wachten zelle. En ze zein dat dat de heksen waren die vergâring hielden.
Beschrijving
Een man moest ’s nachts samen met zijn hond de wacht houden bij het hooi. Om middernacht werd de hond onrustig omdat er muziek te horen was. De man werd onrustig en liep naar huis wanneer de muziek en de dans afgelopen waren. Daarna durfde die man nooit meer de wacht te houden bij het hooi. Hij geloofde dat de heksen daar hadden vergaderd.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
279
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Schendelbeke   
