Hoofdtekst
Vrieger regeerde de graaf over Leuven en Limburg. Ze noemden hem 't Everzwijn omdat er zo'n lelijke streken uitstak. Op ene dag kwam do ene sinjeur met een valies met veel geld in, voorbij, en een weduwe - die had drei zoons - zag de valies en pakte ze op en stak ze in de netelhaag. Dien heer komt terug, er had zijn kommissie moeten doen - en vroeg aan de vrouw, heb er mijn valies toch nirres (nergens) gezien, madameke? Mijn leven en dat van acht van mijn vrienden hangt ervan af, en ich heb zo'ne strenge meester. Nee, zaag (zei) de vrouw, ich heb niks gezien. Ja en dat woor altijd goed gangen in dat huis. De vrouw gong diks (dikwijls) bidden aan een Maria-kapelleke langs de weg op Hasselt. En wei (toen) de vrouw stierf vroeg de jongste zoon 'Mem, wat moeten ver daarmet doen, met dat geld, wol er zeggen.' 'Houdt wat ger hebt en ich zal lijden wat ich kan' zaag de vrouw. Daarna zagen veel mensen gloeiende mensengedaanten rond die haag rollen, nu en dan hoorden ze een akelig gehuil. Dat deed daar zo lèed (lelijk). Dan kwam op een nacht een doktoor met zijn koets en ene vriend daar voorbij. Opeens werpt 't pjad de poeten in de locht en den doktoor valt van de koets af. Er woor doodziek en heel bebloed. En toen pas wol de pastoor geleven dat do get (iets) gaande woor. Een gloeiend spook zat voor het kapelleke met de erm (armen) uitgestoken. Toen gongen ze 't spook verbrannen. De pastoor en enige misdienaars had wijwater en geburen gehaald. Toen overlas er het en de pastoor wierp een ketting om een struik en zaag: 'Do zolste blijven.' En ze hadden nooit meer get gezien. De naam van den doktoor was Nedonselle ['ne Doncel?]. En de mensen van Beverst woren zo bang voor dat spook dat de lui allemaal de bevers zegden en zo is die naam ontstanden. De lui van de ander dorpen gongen nie door Beverst, ze sprongen allemaal over een beek. Die lag do zo schoon en daarmet heetten ze ze Schoonbeek.
Onderwerp
SINSAG 0191 - Der Meineid   
Beschrijving
Op een dag had een weduwe met drie zonen de geldkoffer van een voorbijwandelende heer ongemerkt in een haag verborgen. Een tijdje later kwam de heer terug en vroeg: "Heb jij mijn koffer nergens gezien, mevrouw? Mijn leven en dat van acht anderen hangt er van af, want ik heb een hele strenge meester". De vrouw loog: "Neen, ik heb niets gezien". De vrouw ging vaak tot Maria bidden bij het kapelletje op de weg naar Hasselt. Toen de vrouw op sterven lag, vroeg de jongste zoon wat hij met het geld moest doen. "Houd wat je hebt en ik zal lijden wat ik kan", antwoordde de vrouw. Nadat de vrouw was gestorven, zagen de mensen vaak een gloeiende gedaante in de buurt van de haag verschijnen. Toen men vóór het kapelletje een gloeiend spook zag zitten, met de armen naar voren gestoken, ging de pastoor enkele misdienaars en wat wijwater halen. Vervolgens heeft de pastoor het spook overlezen en het met een ketting naar een struik verbannen.
De mensen waren zo bang voor het spook, dat ze allemaal 'de bevers' (de bibbers) kregen. Zo is de naam Beverst ontstaan.
Het dorp Schoonbeek had haar naam te danken aan de mooie beek die daar stroomde.
De mensen waren zo bang voor het spook, dat ze allemaal 'de bevers' (de bibbers) kregen. Zo is de naam Beverst ontstaan.
Het dorp Schoonbeek had haar naam te danken aan de mooie beek die daar stroomde.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (bilzen)
596
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Maria   
Naam Locatie in Tekst
Mopertingen   
Plaats van Handelen
Schoonbeek   
Beverst   
Hasselt   
