Hoofdtekst
Ik was een jaar of achttien en ik ging rond om te scheren. Op mijn toer, "Vriendje”, zeien ze, ze waren met twee maar ik kon eindelijks (buitengewoon) goed lopen, "hoe laat is’t”? Ik gaan in mijn broekbeurs, mijn monter was in mijn broekbeurs en ze snakten achter me, maar ik heb beginnen lopen dat ze mij niet meer konden achterhalen. Ik vluchtte in een hofstee binnen . Je ziet dat als er entwadde hapert en ze vroegen: "Wat hapert er”? ‘k Zeggen: "Ze vragen hoe laat dat ’t is en ze hadden mij gaarne vastgesnakt! Ze komen achter”. Ze waren bij de barriere en ze vroegen soep. "Naast (nadert) niet”! zeien ze. De ene had de pekke en de andere had het broodmes. ’t Was ook geen gemakkelijk volk ziet, hier in Nieuwkerke toe (bij) Knockaerts. Ze hebben toen voortgegaan. Ik heb dikwijls erbij gezeten in een herberg, bij Abel Pollet. Hij zat altijd zo: keirserecht, met ’t sigaretje tussen de vingers en als ge entwadde zei, ’t was altijd: "Ja, nee, ik weet het niet”, nooit geen coutenance (gesprek) met hem. En Vromant, Canut dat ze zeien, ook een van de bende, ik heb dikwijls zijn haar gesneden. Hij had een hoofd gelijk twee. Ik en wist niet op dat moment dat ze van de bende waren, je ziet dat van hier! Dat heeft maar achternaar uitgekomen. Abel was goed thuis in Violaines, in Frankrijk, bij renteniers en Vromant ging er om zijn slag te slaan. Vromant kreeg ze niet dood en Abel ging gaan helpen en dat wijf krees en zegt ze: "Hewel Abel, j’hebt hier altijd zo wel gekomen geweest en altijd thuis geweest, wat dat ge nu doet met mij”! J’ heeft ze vermoord en ’t heeft dan licht allemaal uitgekomen. Louise Maturet was ’t lief van Abel. Ik ging rond om te scheren en ze was aan de deur bij Meneer Sylvère en ze hield heur voet tegen de deur. De maarte kreeg de deur niet toen. Ik ga binnen en ze miek plaats en toen vloog de deur toe. Ze verklapte toen aan de bende waar dat ze moesten gaan. Ze hebben hier op een hofstee geweest bij Carrey’s, op de Noordhoek en ze dosten niet binnengaan. Al met een keer Marie begost te roepen op heur vader en heur broers. Er was niemand thuis, maar alzo zijn ze toch doorgegaan. Z’hebben onthoofd geweest en er was één die lijk refuseerde. "Allez, allez, achter wat dat ge kijkt”, zei Abel, hij wilde zijn biecht niet spreken, "voor wat dat gij komplimenten maakt, we gaan eerder bij de rechyter zijn dan d’ander”! En Abel sprong alzo met zijn kop voren in de guillotine. Abel was maar een mannetje lijk ik. Ik ken hem wel. En zijn broer was Eugène Pollet. Al ginger zeien ze: "Z’ hebben toch chance, met hun moorden en branden, dat ze nooit gepakt zijn”! ’t Waren grote blauwers daarbij.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Een jongen die als barbier van deur tot deur ging, kwam de bende van Pollet tegen. Eén van de rovers vroeg aan de jongen hoe laat het was. Toen de jongen zijn hand in zijn zak stak, wilden de rovers hem vastgrijpen. De jongen liep weg zo snel hij kon en ging binnen in een boerderij. "Ze vroegen hoe laat het was en ze wilden mij vastgrijpen! Ze komen achter mij aan!" riep de jongen angstig. Even later stonden de rovers inderdaad bij de slagboom om soep te vragen. Gewapend met een mes stuurden de boer en de boerin de rovers weg.
Eén van de rovers zat altijd in een herberg. Hij zat met een kaarsrechte rug op zijn stoel en hield een sigaret tussen twee vingers. Niemand slaagde erin met die man een gesprek aan te knopen. Een andere rover van de bende had een bijzonder groot hoofd.
Op een dag probeerde één van de rovers in Frankrijk een vrouw te vermoorden. Omdat het niet lukte, kwam een andere rover hem te hulp. De arme vrouw sprak tot die andere rover: "Jij bent hier altijd welkom geweest, en kijk eens wat mijn dank is!" Later werd de moord ontdekt.
De vriendin van één van de rovers hielp de bende binnen te geraken in een boerderij.
Uiteindelijk werden de rovers allemaal onthoofd.
Eén van de rovers zat altijd in een herberg. Hij zat met een kaarsrechte rug op zijn stoel en hield een sigaret tussen twee vingers. Niemand slaagde erin met die man een gesprek aan te knopen. Een andere rover van de bende had een bijzonder groot hoofd.
Op een dag probeerde één van de rovers in Frankrijk een vrouw te vermoorden. Omdat het niet lukte, kwam een andere rover hem te hulp. De arme vrouw sprak tot die andere rover: "Jij bent hier altijd welkom geweest, en kijk eens wat mijn dank is!" Later werd de moord ontdekt.
De vriendin van één van de rovers hielp de bende binnen te geraken in een boerderij.
Uiteindelijk werden de rovers allemaal onthoofd.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (ieper)
8
1904
memoraat
Naam Overig in Tekst
Pollet (bende van)   
bende van Pollet   
Naam Locatie in Tekst
Nieuwkerke   
