Hoofdtekst
Hier achter ’t hoekje in de villa van Swansel, boven die danszale woonde er een viswuf en z’had vele kinders en as ze rond ging met haar viskarre kwam ter een oud wuvetje voor ’t jongste zorgen. ’t Was toch zo’n snel (schoon) gezond zieltje. Maar ’t kwam daar ook altijd een pettateschelwuf (vrouw die in vuilbakken zoekt). “Wè, is dat een schoon zieltje,” zei ze. En dat wuf weg. En dat kinnetje begoste te schrèmen en ’t heeft niet meer gestopt. Ze zegt zij dat tegen Lucie en Bastiaan. En dat kinnetje wierd gelijk een stokje, zó deerlijk. Maar z’hadden daar al op gelet dat er altijd een zwarte katte rond dat wiegje kwam en were weg. En ’t had under (hen) entwien (iemand) gezeid, as die katte komt, ’t kan zijn dat ’t een pater was maar ‘k weten dat niet juiste meer, as die katte nog een keer komt, zie dat je een ketel kokend water gereed hebt en giet dat over z’n balg. En die katte kwam weren en zieder (zij) gieten een gehele ketel kokend water over hem uit en die katte spetterde (vloog) weg al tierende en al huilende. En ’s anderendaags lag dat schellewuf geheel verbrand in ’t hospitaal.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
Een bedelares was bij het kind van een visverkoopster geweest en had gezegd: "O, wat een mooi kindje!" Daarna huilde het kind de hele tijd en het werd graatmager. Rond het wiegje van het kind liep altijd een zwarte kat. Op een dag goot men kokend water over het dier. De volgende dag lag de bedelares met brandwonden in het ziekenhuis.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
222
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
