Hoofdtekst
Vader zaliger was in (Maas) Tricht geweest. Ja, in de brouwerij in Tricht gongen ze gist halen met ene pot. Dat was biergist en duw kuum er op, en bij Jossegeetjes in Mopertingen get (wat) gedronken en daarmee zegt nonk Pel: 'Wil ich met dech gaan tot in Cielkesstraat.' 'Maar neen', zei vader, ich zal wel gaan' en in het Linke kuum ene grote zwarten hond bij hem en er liep den helen tijd heel kort neven hem op. - 'Maar jong, zei vader, kom niet zo kort bij.' Er dacht dat 't ene hond woor, ''t Is dat ich nie wil maar anders huw (sloeg) ich dech daste (dat ge) gek werds.' En er deed z'n ogen op, zo groot, he. Och God, dacht vader, dat is de wèrewolf. En er bad zich den Engel des Heren en ich weet nie wat nog. En duw, wei (toen) er hierboven aan de Kerkstraat kuum, duw was er vurt (weg). In ène keer!
Beschrijving
Een man die terugkwam van Maastricht, werd in het Linke gevolgd door een grote zwarte hond. Toen de man besefte dat de hond een weerwolf was, begon hij tot de Engel des Heren te bidden. In de Kerkstraat was de hond verdwenen.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bilzen)
512
Vader van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Engel des Heren   
Naam Locatie in Tekst
Rosmeer   
Plaats van Handelen
Linke (tussen Mopertingen en Rosmeer)   
Kerkstraat (Rosmeer)   
Maastricht   
