Hoofdtekst
Nevens mijn moeder haren thuis wonegen ene en ze zeien dat dat ook een toveresse was en dat mens moest bij haar achter water komen en hare stimput (steenput) was in hare keller, en als ze den eerste emmer water niet en had en willegen ze geen. En dat mens zat ne keer op ne stoel mee een gewijde kiese die brandegen, en ze heeft er azo uren gezeten en g’en kost daar niet meer zien dat er daar asem in ging of niemendalen, ze was azo stijf als ne stok! En dat vrouwmens die daar wonegen had die kiese al uitgeblaasd en ze was daar blijven zitten tot als hare man kwam. En als hare man toekwam is hij achter den docteur gegaan, en terwijl dat hij weg was stak ze haar ogen open en ze kijkt azo rond: “Gij en zijt niet waardig dagge bij mij blijft”, zegt ze. En ze zei dat hare man achter stoelen was, z’en dorst niet zeggen dat hij achter den docteur was. Dat is echt gebeurd.
Beschrijving
Een vrouw over wie men vertelde dat ze een toveres was, moest altijd bij haar buurvrouw water gaan halen. Als de toveres de eerste emmer uit de steenput niet kreeg, dan wilde ze geen water. Op een dag zag men haar stokstijf met een gewijde kaars op haar schoot zitten. Men kon haar zelfs niet zien ademen. Toen haar man thuiskwam en zijn vrouw in die toestand zag zitten, ging hij de dokter halen. Nadat de man was vertrokken, stond de vrouw op en murmelde: “Jij bent het niet waard dat je bij mij blijft”. Aan andere mensen zei de toveres dat haar man stoelen was gaan halen, omdat ze niet durfde te zeggen dat hij naar de dokter was.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
493
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Schendelbeke   
