Hoofdtekst
Da woaren oede menschen die gestorven woaren. Vroeger woaren ze rike en ze staken ton smoetpotten mèu goed (goud) in de groend. Un ze dood gieng(en) en ze kosten nie mi zeggen woa da z’under goed gestoken aan, ze kwaam ton iederen avend ip die pot zitten. ’t Was azo e kir e vint, en je smeet e steen no die doakèèrse en den anderen dag, je gienk do gon delven en je voend en smoetpot, vul mè goedstikken. Dorip laagt er e papier: oender mien zit er nog een. En je dolf verder en je voend were e smoetpot.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Twee rijke mensen waren gestorven vooraleer ze aan iemand hadden kunnen vertellen waar ze hun smoutpotten met goud hadden verborgen. Op de plaats waar het goud verborgen lag, verscheen iedere avond een doodkeers. Op een avond gooide een man een steen naar die doodkeers. Toen de man de volgende dag ging graven, vond hij een smoutpot vol goudstukken. Op de pot lag een blad met de tekst: "Onder mij zit er nog één". De man groef verder en vond inderdaad nog een tweede smoutpot.
Bron
M.-R. Nijsters, Leuven, 1969
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (nw van houtland)
62.2
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Gistel   
