Hoofdtekst
Tusschen Beveren en Roeselare wos er e kasteel. ’t Wunden dor twee gebroers up. En ze kwamen nooit overeen. Ze kwamen oltijd in kweste. En up e zekere keer, dat kasteel wos verzoenken. En die twee joenkheiden woren gestraft. Ze mosten zieder ’s nachts roendlopen met ketens an mekors geboenden. ’s Navonds ten elven zein ze tegen e vint an de kerke dat ze mosten overeenkommen want dat ze zieder gestraft woren omdat ze nooit overeen kwamen. Dat e toen gebeurd. ‘k En dat horen vertellen van Stanten Van Berghe. ‘k Wrochte ik dor. O ’t verzoenken wos, wos er e waterput.
Beschrijving
Tussen Beveren en Roeselare stond een kasteel waar twee broers woonden, die altijd ruzie maakten. Op zekere dag is dat kasteel verzonken. Die twee broers moesten voor straf 's nachts rondlopen terwijl ze met kettingen aan elkaar waren gebonden. 's Avonds om elf uur zeiden ze tegen een man bij de kerk dat ze moesten leren met elkaar op te schieten want dat ze voor hun geruzie waren gestraft.
Op de plaats waar het kasteel was verzonken, was een waterput.
Op de plaats waar het kasteel was verzonken, was een waterput.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
85F
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Woumen   
Plaats van Handelen
Beveren   
Roeselare   
